Juiste antwoord

Gemeenten hebben een heleboel verordeningen waar iets mee moet gebeuren in het kader van de Omgevingswet. Welke stelling is waar?

Antwoord C is juist.

Stelling 1 en 2 zijn beide onwaar.

  • Stelling 1 – gemeenten hoeven geen verordeningen vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet te wijzigen – is onwaar:
    Op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet moet in ieder geval een aangepaste legesverordening  klaar zijn. De oude verordening verwijst namelijk naar rechtsfiguren die onder de Omgevingswet niet meer bestaan.
  • Stelling 2 – gemeenten moeten al hun verordeningen op het gebied van de fysieke leefomgeving vóór 2029 verwerken in hun omgevingsplan – is onwaar:
    De gemeente hoeft sommige verordeningen op het gebied van de fysieke leefomgeving niet te verwerken in het omgevingsplan. Het overgangsrecht van de Invoeringswet zorgt er namelijk voor dat die verordeningen van rechtswege al worden ingevoegd in het omgevingsplan.

Meer informatie

Afhandeling van enkele verordeningen

In grote lijnen wordt aangegeven wat een gemeente na invoering van de Omgevingswet met een aantal verordeningen moet doen.

De inhoud van verordeningen kan per gemeente verschillen. We gaan uit van ‘standaard’ verordeningen. Het is daarom zeer goed mogelijk dat in bepaalde gevallen het onderstaande niet klopt.

Elke gemeente moet haar eigen afwegingen maken.

Bijvoorbeeld: Afvalstoffenverordening, Algemene plaatselijke verordening, Beheersverordening, Bomenverordening, Bouwverordening, Erfgoedverordening of archeologieverordening, Legesverordening, etc.

Voor meer informatie kunt u terecht op onze website.

Download de Handreiking Verordeningen en het omgevingsplan